Resultaten Basisdocument
Tienjarenscenario Waterbodems

Ir. H.P. Laboyrie
Advies en Kenniscentrum Waterbodems,
directeur projectbureau Waterbodems Advies en Uitvoering, een samenwerkingsverband van de Bouwdienst Rijkswaterstaat en Directie Noordzee
Postbus 20000
3502 LA Utrecht

Tel: 030-2858016
Fax: 030-2513193
Email: h.p.laboyrie@bwd.rws.minvenw.nl

Over de auteur:

Hypolite Laboyrie (1959) studeerde tot 1986 Civiele Techniek aan de T.H. Delft, met als afstudeerrichting Kustwaterbouwkunde.
Van 1986 tot 1988 was hij Project Ingenieur afdeling Beheer en Onderhoud Havens bij Gemeentewerken Rotterdam. In de periode 1988-1990 was hij werkzaam als Chef Planbureau afdeling Beheer en Onderhoud Havens bij Gemeentewerken Rotterdam.
Van 1990 tot 1997 was hij als Projectleider Natte Waterbouw verbonden aan DHV Milieu & Infrastructuur.
In 1997 is hij in dienst getreden als Senior Project Manager bij Bouwdienst Rijkswaterstaat, waar hij deze functie tot 1999 vervulde. Sindsdien is hij Plaatsvervangend hoofd afdeling Milieubouw Bouwdienst Rijkswaterstaat.

Samenvatting

Nederland heeft een baggerprobleem. Er wordt onvoldoende gebaggerd en er zijn te weinig bestemmingen voor de baggerspecie. In het Basisdocument Tienjarenscenario Waterbodems zijn de knelpunten geïnventariseerd. Ander beleid en ruimere budgetten zijn nodig om te voorkomen dat Nederland dichtslibt.


RESULTATEN BASISDOCUMENT TIENJARENSCENARIO WATERBODEMS

Ir. H.P. Laboyrie
Advies en Kenniscentrum Waterbodems, directeur projectbureau Waterbodems Advies en Uitvoering, een samenwerkingsverband van de Bouwdienst Rijkswaterstaat en Directie Noordzee

Samenvatting
Nederland heeft een baggerprobleem. Er wordt onvoldoende gebaggerd en er zijn te weinig bestemmingen voor de baggerspecie. In het Basisdocument Tienjarenscenario Waterbodems zijn de knelpunten geïnventariseerd. Ander beleid en ruimere budgetten zijn nodig om te voorkomen dat Nederland dichtslibt.

Inleiding
In opdracht van de gezamenlijke overheden (Unie van waterschappen, Interprovinciaal Overleg, Vereniging Nederlandse Gemeenten, Ministerie van VROM, Ministerie van Verkeer en Waterstaat) is door het Advies en Kenniscentrum Waterbodems (AKWA) en de Regionale werkgroepen per provincie het Basisdocument Tienjarenscenario waterbodems opgesteld. Het doel van het Basisdocument is inzicht te geven in de waterbodemproblematiek en oplossingsrichtingen te verkennen ten behoeve van bestuurlijke en politieke besluitvorming over een toekomstige koers.

Baggerprobleem
Nederland is een deltagebied, waar veel slib bezinkt. Een probleem hierbij is dat een deel dit slib verontreinigd is. Baggeren is van vitaal belang voor onze economie, ecologie en waterafvoer. Er wordt echter onvoldoende gebaggerd door het ontbreken van bestemmingen, financiële middelen en organisatorische knelpunten.
Hierdoor worden de ontwikkelingen van transport over water, havens, recreatie, natuur en een schoon milieu geremd en ontstaan er knelpunten voor de veilige afvoer van water. De gevolgen hiervan zijn een verhoogd risico van economische schade, door bijvoorbeeld overstromingen en verminderde bereikbaarheid van havens, en kans op ecologische schade. Bij het huidige baggervolume wordt de achterstand in onderhoud elk jaar groter, waardoor het risico van schade steeds verder toeneemt. Voor een adequate uitvoering van de plannen in het kader van Waterbeheer 21ste eeuw is vereist dat er voldoende baggerspecie wordt verwijderd.
Het baggerprobleem wordt echter, vanwege de onzichtbaarheid ervan, onvoldoende erkend. Dit komt ook doordat veel knelpunten blijkbaar nog niet geleid hebben tot direct bedreigende situaties. Toch is er sprake van een sluimerend probleem, dat acuut kan worden als er geen maatregelen worden getroffen.

Omvang van het baggerprobleem
De geïnventariseerde hoeveelheid baggerspecie, dat volgens opgave van de waterbeheerders, in de periode 2002-2011 moet worden verwijderd is ongeveer 400 miljoen m3. Ongeveer de helft daarvan is afkomstig uit zoete wateren (rivieren, kanalen, poldervaarten en -sloten), de andere helft uit zoute wateren (zeehavens en toegangsgeulen). Schone en licht verontreinigde specie kan momenteel worden verspreid op land, in oppervlaktewater en in zee. Van de zoute specie is circa 90 procent verspreidbaar. De niet-verspreidbare zoute specie wordt gestort in depots, bijvoorbeeld de Slufter, waarbij zand wordt afgescheiden uit zandrijke specie.
Van de specie uit zoete wateren is slechts circa 30 procent verspreidbaar, vanwege verontreinigingen of een gebrek aan ruimte. Het probleem voor het vinden van bestemmingen is hier dus veel groter. De niet-verspreidbare zoete specie wordt deels gestort in depots en voor een klein deel verwerkt. Voor het resterende deel (circa 90 miljoen m3) hebben de beheerders geen bestemming opgegeven.




Figuur 1 Verdeling verspreidbare en niet-verspreidbare specie in Nederland voor de periode 2002-2011

Verreweg het grootste deel van de specie wordt gebaggerd ten behoeve van onderhoud. De grootste beheerders van zoete specie zijn de Waterschappen en Rijkswaterstaat (beide circa 35 procent), gevolgd door de gemeenten en in mindere mate provincies en particulieren. Bij de zoute specie zijn de belangrijkste probleemeigenaren Rijkswaterstaat (70 procent) en de havengemeenten (30 procent).
In dit aanbod is de specie die vrijkomt bij de rivierverruiming van de Rijntakken en de Maas (circa 125 miljoen m3) niet meegenomen. Hiervoor zijn oplossingen voorzien in het kader van het beleid "actief bodembeheer rivierbed". Ook de zogenaamde 'schouwspecie', die nu op de kant wordt gezet bij het onderhoud van de kleinere sloten in het landelijk gebied (enkele tientallen miljoenen m3) is niet meegenomen.


Figuur 2 Geïnventariseerde hoeveelheid baggerspecie voor de periode 2002-2011

Voor de verwerking en analyse van de gegevens heeft AKWA een model gebruikt dat speciaal voor dit project is ontwikkeld. Hiermee kan onder meer worden geanalyseerd hoe het aanbod van baggerspecie kan worden toebedeeld aan beschikbare en mogelijke bestemmingen.
Hierbij is de voorkeursvolgorde van het huidige beleid gehanteerd.



Figuur 3 Voorkeursvolgorde bestemmingen baggerspecie

Mogelijke oplossingen dienen in de context geplaatst te worden van lopende beleidsontwikkelingen zoals:
Verspreidingsbeleid op land en actief bodembeheer (ook buiten rivierbed)
Nieuw beoordelingssysteem voor verspreiding in zee
Aanpassing klassenindeling
Financiële en fiscale regelingen om verwerking te stimuleren
Aanpassing Bouwstoffenbesluit
Beleid open putten

Oplossingen en budgetten
Baggerspecie uit zoete en zoute wateren is apart in beschouwing genomen vanwege verschillen in beleid en regelgeving.
Het huidige budget voor de zoute specie geëxtrapoleerd over een periode van tien jaar bedraagt 700 miljoen gulden (318 miljoen euro), terwijl de kosten voor het baggeren en bestemmen worden geraamd op 1,2 miljard gulden (545 miljoen euro). Dit tekort van 500 miljoen gulden (227 miljoen euro) heeft met name betrekking op het storten/verwerken van de niet-verspreidbare specie. Het volume verspreidbare specie zal, bij aanpassing van het verspreidingsbeleid naar zee, landelijk ongeveer gelijk blijven maar regionaal worden verschillen verwacht. In de regio's Wadden en IJmuiden zal minder mogen worden verspreid, waardoor er problemen ontstaan omdat er hier al een tekort is aan stort en verwerkingscapaciteit.
De problematiek van de zoete specie is complexer en daarom uitgewerkt in de scenario's , uitgaande van drie sturingsparameters: tijd, geld en kwaliteit. Tijd is het tempo voor het oplossen van de baggerproblematiek, waarbij tien en veertig jaar in beschouwing zijn genomen. Geld betreft de benodigde budgetten met als referentie het huidige budget voor zoete specie doorgetrokken voor de komende tien jaar (2,2 miljard gulden/1 miljard euro). Met kwaliteit wordt bedoeld de mate van milieubelasting bij verschillende beleidsvarianten.
Geconstateerd is dat de jaarlijkse aanwas van onderhoudsspecie in zoete wateren niet geheel wordt gebaggerd. De achterstand wordt dus steeds groter.
De scenario's zijn bedoeld om de uitersten van het speelveld van oplossingen te verkennen.
Voor scenario a is het huidige budget als uitgangspunt gekozen. Het scenario b 'standstill', waarbij alleen de jaarlijkse aanwas van baggerspecie wordt verwijderd, vereist iets hogere budgetten dan de huidige, maar het probleem wordt slechts voor een deel opgelost, omdat ervan wordt uitgegaan dat achterstallig onderhoud, saneringen en nieuwe werken niet worden uitgevoerd.
Voor het oplossen van het totale aanbod van baggerspecie in tien jaar (scenario c) is een verviervoudiging van het budget vereist uitgaande van gelijkblijvend beleid. Bovendien moeten dan ook de nodige voorzieningen voor de bestemming van baggerspecie tijdig gerealiseerd zijn.
Het is dan ook realistisch een langere periode in beschouwing te nemen, waardoor er minder budget nodig is dan bij tien jaar. Hier is voor de gedachtevorming uitgegaan van een periode van veertig jaar (scenario d), waarbij uiteraard de grootste knelpunten als eerste moeten worden aangepakt. Voor de uitvoering van scenario d is minimaal een verdubbeling van de huidige budgetten nodig.


Figuur 4 Budgetramingen per scenario voor de periode 2002-2011

Bestemmingsvarianten
Voor de bestemmingen zijn drie bestemmingsvarianten gesimuleerd: huidig beleid, meer bestemmingen en geavanceerde verwerking.
Voortzetten van het huidig beleid met het huidig budget betekent een verdere toename van de achterstand in baggeren.
Meer bestemmingen betreft het optimaal inzetten van eenvoudige verwerkingstechnieken, actief bodembeheer en het storten in open putten. Tevens is het uitgangspunt dat er 25 procent minder saneringen worden uitgevoerd. Deze variant levert ten opzichte van het huidige beleid een aanzienlijke kostenbesparing op, maar betekent wel een toename van de emissie van stoffen in het milieu. Voor de realisatie van deze bestemmingen zijn beleidsaanpassingen nodig, bijvoorbeeld van het Bouwstoffenbesluit, zodat belemmeringen voor de toepassing van baggerspecie verminderd worden.
Een derde beleidsvariant is het volgen van de politieke wens om het storten van baggerspecie zoveel mogelijk te beperken door het inzetten van geavanceerde verwerkingstechnieken zoals thermische immobilisatie. Voor de ketens met geavanceerde verwerking is ongeveer een verviervoudiging van het huidige budget nodig bij een langere uitvoeringstermijn dan tien jaar.
In alle gesimuleerde beleidsvarianten blijft het beschikbaar hebben van depotcapaciteit noodzakelijk voor de niet-verwerkbare specie en de residuen van verwerking. Bepaalde regio's hebben momenteel voldoende depotcapaciteit, terwijl er in andere regio's een tekort bestaat. Transport van specie over grote afstanden heeft consequenties voor milieu en kosten. Een ruimere openstelling van de bestaande depots kan bijdragen aan een betere coördinatie. Verder zijn er enkele depots in combinatie met verwerking in procedure. Wat betreft bestemmingsmogelijkheden heeft de regio Noord-Holland/Utrecht nog een groot knelpunt.
Bij de scenario's is ervan uitgegaan dat het volume van verspreidbare specie constant blijft. Als er in de toekomst minder verspreid kan worden, wordt het baggerprobleem drastisch vergroot.

Conclusies en aanbevelingen
Nederland heeft een baggerprobleem. Met de huidige financiële middelen en het huidige beleid wordt de achterstand steeds groter. Men zal moeten kiezen met welk tempo en welk beleid het probleem wordt opgelost. Deze keuzes zijn bepalend voor het benodigde budget. Het oplossen van het baggerprobleem in een periode langer dan tien jaar beperkt het financiële tekort, maar ook dan is minimaal een verdubbeling van het huidige budget nodig. Bij de inzet van geavanceerde verwerking zijn de tekorten veel groter dan bij de keuze voor sobere oplossingen. De inzet van sobere oplossingen bestaat uit realisatie van depots met eenvoudige verwerking, gebruik van putten en actief bodembeheer. Ook bij deze oplossingen zijn de huidige budgetten ontoereikend.
Verder wordt aanbevolen om de coördinatie van baggerstromen te verbeteren door meer samenwerking tussen de overheden en een betere benutting van de bestaande voorzieningen; hierdoor zijn kosten te besparen.
Andere bijdragen aan oplossingen zijn aanpassingen in beleid en regelgeving om meer bestemmingen mogelijk te maken.
Het Basisdocument zal tezamen met een bestuurlijk advies aangeboden worden aan de bewindslieden van Verkeer en Waterstaat en VROM en dit najaar naar verwachting ter discussie komen in de Tweede Kamer. Hopelijk komt er dan de gewenste duidelijkheid over de toekomstige koers voor de oplossing van het baggerprobleem.