MILIEU ASPECTEN VAN THERMISCHE PROCESSEN
Auteur:
J.M. Gubbens
Senior projectmanager
Dusaltec B.V.
Kernkade 12T
3542 CH Utrecht
Tel: 030.2412962
Fax: 030.2412995
Email: jgubbens@dusaltec.com
Over de Auteur:
Jos Gubbens is sinds 1979 werkzaam binnen de milieubranche. De eerste werkervaring is verkregen als beleidsmedewerker afvalstoffen bij de provincie Zuid-Holland. Deze periode is gevolgd door als hoofd afdeling Milieu leiding te geven aan de sanering van de vestiging van Solvay Duphar te Amsterdam (de opvolger van Philips Duphar).Tevens is hij hier logistiek manager geweest. Na vervolgens general manager te zijn geweest van Ecotechniek Water, is hij betrokken geraakt bij het thermisch immobiliseren van baggerspecie tot Ecogrind. Op dit moment is hij nog steeds betrokken bij een vergelijkbaar proces op basis van alternatieve energie, ofwel het Dusagrind-proces van Dusaltec BV
Samenvatting:
Thermische immobilisatie is de beste methode om baggerspecie verontreinigd met organische verbindingen en zware metalen te verwerken. Hiervoor heeft Dusaltec het Dusagrind-proces ontwikkeld, waarin de baggerspecie wordt gesinterd tot herbruikbaar Dusagrind en waarvoor gebruik wordt gemaakt van alternatieve energie. Als alternatieve energie wordt gebruikt een mengsel van papier, plastiek en andere brandbare materialen. Dit mengsel, waaruit de herbruikbare materialen zijn afgescheiden, kan op dit moment alleen worden verwerkt in een conventionele verbrandingsinstallaties.
In de presentatie zal worden ingegaan op de technische aspecten. Hiernaast wordt de samenhang gegeven ten aanzien van de in- en uitgaande stromen. De verwerkingskosten van vervuilde baggerspecie is hiervan de belangrijkste.
In de lezing wordt aandacht besteed aan:
&Ma Het Dusagrind-proces;
&Ma De energievoorziening;
&Ma Toepassing van Dusagrind;
&Ma Logistiek van de verwerking;
&Ma Kostenvergelijking met storten;
Voor nadere toelichting wordt verwezen naar de bijlagen namelijk:
&Ma De procesbeschrijving van Dusagrind, afkomstig uit de startnotitie MER voor het oprichten van een installatie te Vlissingen;
&Ma De reactie van Dusaltec B.V. naar aanleiding van de brief aan de Tweede Kamer van de staatssecretaris V&W, mevrouw J.M. Vries. De reactie is toegestuurd aan de Vaste Commissie voor V&W.
MILIEU ASPECTEN VAN THERMISCHE PROCESSEN
Procesbeschrijving Dusagrind
Algemeen
Dusagrind is het product van het mengen, drogen, vormgeven, oxideren en sinteren van verschillende grondstoffen tot een kunstgrind dat als bouwstof zowel ongebonden als gebonden toepasbaar is.
Hart van het Dusagrind-proces is de oxidatie en sintering. De oxidatie vindt plaats in het temperatuurtraject van 300 tot 900 °C. Bij deze temperatuur vervluchtigen en verbranden de organische componenten waaronder verontreinigingen als PAKs, minerale olie en dioxinen, vervluchtigen de vluchtige metalen en metalloïden zoals kwik en lood en oxideren de resterende metalen grotendeels.
Het sinteren vindt plaats in het temperatuurtraject van 600 tot circa 1150 °C. Sinteren is het aaneen groeien van deeltjes als het gevolg van chemische reacties, diffusie, (re)kristallisatie en verglazing van gesmolten materiaal. Na afkoeling resteert een verhard gebakken product. Tijdens het sinter- en afkoelingsproces worden de niet vervluchtigde zware metalen vastgelegd. Een ruw onderscheid is te maken tussen metalen die onderdeel gaan uitmaken van de matrix en niet beschikbaar zijn voor uitloging en metalen die geadsorbeerd zijn aan de matrix en slecht uitloogbaar zijn.
De energie voor het productieproces wordt geleverd door hoog calorische afvalstoffen zoals RDF, te verkolen (het tot kool maken van brandstof onder zuurstofarme omstandigheden). Het verkolingsproces vindt plaats in het temperatuurtraject van 200 tot 500 °C bij een ondermaat aan zuurstof. De vrijgekomen kool wordt gebruikt als brandstof in het sinteringsproces en als blaasmiddel voor het produceren van lichtgewicht grind. Tijdens het sinterproces gaat de kool over in gasvormige componenten als koolmonoxide en koolstofdioxide, waarmee de korrels worden opgeblazen tot een lichtgewicht kunstgrind.
Bij het verkolingsproces komt naast kooks ook heet stookgas vrij. Dit hete stookgas wordt ingezet bij het drogen van de afvalstoffen. De vrijkomende drooggassen worden in een gasreinigingsinstallatie ontdaan van de verontreinigende componenten. Wat resteert is een stookgas met een energie-inhoud van circa 4 MJ/kg. Het gas wordt op specificatie geleverd en afgezet aan derden of gebruikt als brandstof voor een warmtekrachtkoppelingeenheid.
Bij het proces komt afvalwater vrij. Dit afvalwater zal alvorens lozing op oppervlaktewater gereinigd worden. Het is nog niet bekend of hiervoor een aparte installatie zal worden gebouwd of dat gebruik wordt gemaakt van een op het bedrijventerrein aanwezige waterbehandelingsinstallatie. Huishoudelijk afvalwater zal via het openbaar riool worden afgevoerd.
Product- en acceptatiecriteria
Het kunstgrind wordt geproduceerd in verschillende grootten en met een soortelijk gewicht dat kan worden gevarieerd tussen 0,8 en 1,2 ton/m3. Om te mogen worden toegepast moet het kunstgrind voldoen aan milieuhygiënische en fysische eisen.
De milieuhygiënische eisen waaraan bouwstoffen moeten voldoen zijn vastgelegd in het Bouwstoffenbesluit bodem- en oppervlaktewaterenbescherming. De eisen hebben betrekking op de maximaal toegestane concentratie van organische verontreinigingen in het product en de maximaal toegestane uitloging van zware metalen, halogenen (Cl, Br, F), cyanide en sulfaten. In het Dusagrind-proces wordt gestreefd naar een kunstgrind dat vrij toepasbaar is en aan de strengste milieuhygiënische eisen voldoet, zodat het zowel gebonden, als ongebonden kan worden toegepast.
De fysische eisen waaraan bouwstoffen moeten voldoen zijn eveneens vastgelegd in het Bouwstoffenbesluit en zijn afhankelijk van de gewenste toepassing. Deze eisen hebben betrekking op zaken als korrelvorm, korrelverdeling, sterkte, dicht-heid, weerstand tegen verbrijzeling, oppervlakteruwheid, porositeit, et cetera. Het kunstgrind dat geproduceerd wordt door Dusagrind wordt toegepast als los gestorte bouwstof en als toeslagstof toegepast in bouwkundige constructies.
De kwaliteit van het kunstgrind wordt bepaald door procesomstandigheden en de samenstelling van het ingangsmateriaal. Door het op de juiste wijze samenvoegen van verschillende stromen wordt een massa met een keramische samenstelling en goede eigenschappen verkregen waarmee een toepasbaar kunstgrind kan worden geproduceerd.
Klei en zand vormen het hoofdbestanddeel van de massa. Klei bestaat uit aluminiumsilicaten die tijdens het sinteren het kristalrooster vormen. Zand zorgt voor de vormvastheid van de korrel tijdens het sinterproces. Daarnaast zijn metaaloxiden nodig als calcium- natrium- en kaliumoxide die een rol spelen bij het aaneensmelten van de aluminiumsilicaten.
Het samenstellen van de grondstoffen tot een ingangsmateriaal vindt plaats op basis van receptuur. Hiertoe wordt volgens een gecertificeerde procedure elke ingenomen afvalstof bemonsterd en geanalyseerd. De afvalstoffen worden vervolgens al dan niet na voorbehandeling gescheiden van elkaar opgeslagen. Vanuit de opslag worden de grondstoffen samen gevoegd tot het ingangsmateriaal. De samenstelling van het ingangmateriaal wordt onder andere gestuurd op:
&Ma Het percentage klei;
&Ma Het percentage zand;
&Ma Het gehalte aan natrium-, calcium en kaliumoxide.
&Ma Het gehalte aan zware metalen;
&Ma Het gehalte aan organische componenten.
Voor de energievoorziening maakt de inrichting gebruik van elektriciteit en hoog calorische afvalstoffen. De afvalstoffen die in aanmerking komen om als brandstof te worden ingezet moeten een stookwaarde (onderste verbrandingswaarde) bezitten van minimaal 14 MJ/kg. Vooralsnog wordt RDF ingezet als brandstof maar later kunnen naast RDF ook andere brandbare afvalstoffen worden ingezet. Ook de brandstoffen worden volgens een gecertificeerde procedure bemonsterd en geanalyseerd bij inname. Aspecten waarop brandstoffen worden geselecteerd zijn onder andere:
&Ma Het gehalte aan zware metalen;
&Ma Het gehalte aan organische componenten;
&Ma De stookwaarde.
Voorbehandeling
De totale verwerkingsinrichting zal gaan bestaan uit twee aparte delen, te weten een voorbehandelinginrichting en een kunstgrindfabriek.
In de voorbehandelinginrichting worden de grondstoffen - die per schip, as of spoor worden aangevoerd - overgeslagen en voorbehandeld. De voorbehandeling heeft enerzijds tot doel de procesvoortgang te waarborgen door ongeregeldheden te verwijderen en anderzijds om zand af te scheiden.
De voorbehandeling zal voor een groot deel decentraal door derden worden uitgevoerd. Bij decentrale verwerking moet worden gedacht aan voorbehandeling van de afvalstoffen op de locatie van vrijkomen of een behandeling in een andere verwerkingsinstallatie waarbij het verontreinigde residu als grondstof voor het kunstgrindproces kan dienen. Voordeel van decentrale voorbehandeling kan zijn dat de kosten voor aanvoer van de grondstoffen, dankzij de volumereductie, worden beperkt.
De overslag van de grondstoffen vindt plaats met behulp van kranen. De voorbehandeling kent verschillende procesroutes voor:
&Ma Verontreinigde baggerspecie (zeven);
&Ma Verontreinigde zandhoudende baggerspecie (zeven, zandafscheiding en mechanische ontwatering);
&Ma Scheidingsresidu baggerspecie (alleen overslag);
&Ma Verontreinigde klei (kleibreker en zeven);
&Ma Verontreinigde grond (zeven);
&Ma Grondreinigingsresidu (alleen overslag).
Het zeven van de grondstoffen heeft tot doel de verontreinigingen groter dan 20 mm af te scheiden om te voorkomen dat de verwerkingsinstallatie beschadigd raakt door bijvoorbeeld stenen of andere grove delen. De afgescheiden grove fractie wordt opgeslagen en periodiek verwijderd.
Zandafscheiding vindt alleen plaats bij zandhoudende grondstoffen en zal in de praktijk voornamelijk de baggerspecie betreffen. Voor baggerspecie blijkt bij de huidige stand van de techniek dat zandafscheiding zinvol is bij een zandgehalte van meer dan 50 gew-%. Het afgescheiden zand wordt niet opgeslagen op het terrein maar direct overgeslagen in duwbakken. Zand wordt alleen dan afgescheiden wanneer dit economisch haalbaar is en zand van een dusdanige fysische en milieuhygiënische kwaliteit oplevert die het gebruik mogelijk maakt.
Een kleibreker wordt ingezet om de klei te breken tot een fijnere fractie zodat deze over een zeef kan worden gehaald.
Natte afvalstoffen en residuen die resteren na zandscheiding worden mechanische ontwaterd. Het vrijkomende water wordt gereinigd in een waterzuiveringsinstallatie.
De Dusagrind-fabriek
De Dusagrind-fabriek is als volgt onder te verdelen:
&Ma Opslag van grondstoffen;
&Ma Dusagrind-installatie;
&Ma Opslag van Dusagrind.
Opslag grondstoffen
De opslag van grondstoffen zoals baggerspecie vindt plaats in een depot dat verdeeld is in vakken. Elke partij die binnenkomt wordt apart opgeslagen zodat het mogelijk is van hieruit een verwerkbare massa samen te stellen. Het opslagdepot voldoet aan de IBC-criteria (Isoleren, Beheersen en Controleren) Mogelijk wordt de opslag voorzien van een verrijdbaar dak om te voorkomen dat regenwater in het depot terechtkomt. De opslag van stuifgevoelige grondstoffen vindt plaats in silos.
De opslag van brandstoffen zoals RDF vindt plaats in een overdekt depot met een vlakke vloer. Indien noodzakelijk worden de brandstoffen verkleind en gezeefd alvorens in de verkolingsinstallatie te worden gebracht.
Dusagrind-installatie
Om enerzijds variaties in de samenstelling van de afvalstromen te kunnen opvangen anderzijds de gewenste productkwaliteiten te kunnen instellen, is de installatie flexibel van opzet. De procesgang van de afvalstoffen die als grondstof worden ingezet bestaat achtereenvolgens uit mengen/drogen, vormgeven, oxideren/sinteren, koelen en wassen (zie overhead sheet proces). De brand-stoffen die de energie voor het proces leveren worden indien nodig verkleind en vervolgens verkoold. Voor het reinigen van het stookgas is een gasreiniger aanwezig. Vrijkomend afvalwater van de opslag en verschillende processen zal worden gereinigd in de waterbehandelingsinrichting. Het is nog niet bekend of gebruik gemaakt gaat worden van de op het bedrijventerrein reeds aanwezige waterbehandelingsinstallatie.
Mengen/drogen
Met een grijper worden uit de opslag de verschillende grondstoffen volgens receptuur samengebracht in een trechter. Vanuit deze trechter wordt de samengestelde massa via een transportband in een draaitrommel gevoerd waarin gelijktijdig menging en droging plaatsvindt. De draaitrommel wordt direct bedreven met stookgas afkomstig van de verkoling en met afgassen afkomstig van de sinterinstallatie. Het gas uit de draaitrommel wordt gereinigd in de gasreinigingsinstallatie.
Vormgeven
De gedroogde massa wordt in een menger gebracht waaraan enige natte baggerspecie wordt toegevoegd voor het verkrijgen van een massa met plastische eigenschappen en in het geval van een lichtgewicht ook enige koolstof. Vanuit de menger wordt de plastische massa gebracht in een pelletiseermachine en vormgegeven tot de gewenste korrelvorm.
Nadrogen, oxideren, sinteren
Vanuit de pelletiseermachines worden de korrels in een trommeloven gevoerd waar achtereenvolgens nadrogen, oxidatie, sinteren en koelen plaatsvindt. De trommeloven wordt in tegenstroom bedreven. Om te voorkomen dat de korrels verkleven worden de ongesinterde pellets gemengd met zand. Na sintering wordt dit zand weer afgescheiden en teruggevoerd in de trommeloven.
Koelen
Het hete grind wordt in een koeler met lucht afgekoeld. De opgewarmde lucht wordt in de trommeloven gebracht en gebruikt voor de oxidatie van het grind.
Wassen
Het afgekoelde grind wordt vervolgens gewassen om het te ontdoen van fijn zand en andere ongerechtigheden, waarna het getransporteerd wordt naar de grindopslag. Het waswater wordt periodiek vervangen. Alvorens lozing plaatsvindt, wordt verontreinigd waswater gereinigd door een waterzuivering.
Verkoling
Met behulp van een transportband wordt de brandstof direct of indien nodig via de verkleiningsinstallatie vanuit de opslag in de draaitrommeloven gevoerd waarin de verkoling plaatsvindt. De verkoling wordt uitgevoerd bij een temperatuur van ongeveer 500 °C. De benodigde energie voor het proces wordt enerzijds verkregen door een deel van de hete gassen afkomstig uit de trommeloven in de verkolingstrommel te voeren en anderzijds door partiële verbranding. Wat ontstaat in de verkolingstrommel is kooks en gas. De kooks wordt geschikt gemaakt om als brandstof en/of om als blaasmiddel te worden ingezet. Het ontstane hete stookgas wordt in de droger gevoerd voor het drogen van de grondstoffen.
Gasreiniging
De gasstroom afkomstig van de droger wordt gereinigd in de gasreinigingsinstallatie. Deze bestaat uit een cycloon, filters en een natte wasstap. Allereerst worden grof en fijn stof respectievelijk in een cycloon en fijn filter afgevangen. Dit afgevangen stof wordt terug gevoerd in het droogproces. Door actieve kool in de gasstroom te brengen en vervolgens in een filter af te scheiden worden de organische- en anorganische microverontreinigingen, zoals koolwaterstoffen en vervluchtigde metalen en metalloïden die aan de kool adsorberen verwijderd. De afgescheiden kool wordt opgeslagen en periodiek verwijderd. De zure componenten zoals H2S en HCl worden in een natte gaswasser gereinigd. Het vrijkomende water wordt gereinigd in de waterzuiveringsinstallatie. Het reinigingsresidu wordt afgescheiden en opgeslagen en periodiek verwijderd.
Waterbehandeling
De volgende waterstromen worden onderscheiden:
&Ma Niet verontreinigd hemelwater;
&Ma Huishoudelijk afvalwater;
&Ma Water afkomstig van de afvalstoffenopslag;
&Ma Water afkomstig van de gasreinigingsinstallatie;
&Ma Water afkomstig van spoelinstallatie grind;
&Ma Water afkomstig van de opslag van het grind.
Het huishoudelijk afvalwater afkomstig van kantoren en operatorruimtes zal verwijderd worden via het openbaar riool. Hemelwater dat niet verontreinigd is zal direct op het oppervlaktewater worden geloosd. Water afkomstig van de grondstoffenopslag, de spoelinstallatie, gasreinigingsinstallatie en grindopslag zal apart gebufferd worden. Lozing van het gebufferde afvalwater op oppervlaktewater vindt periodiek plaats. Wanneer na bemonstering blijkt dat het water niet direct geloosd mag worden vindt eerst zuivering plaats.
Opslag kunstgrind
De opslag van kunstgrind vindt in de open lucht plaats op een met asfaltbeton verhard deel van het terrein. Het grind wordt als los gestort materiaal op hopen van verschillende kwaliteiten opgeslagen. Overslag vindt plaats met behulp van shovels.
Reactie van Dusaltec B.V. naar aanleiding van de brief van de staatssecretaris V&W, mevrouw J.M. de Vries
Met de aanvaarding van de motie Herrebrugh hebben de leden van de Tweede Kamer aan de Staatssecretaris gevraagd "met spoed tot een grootschalige praktijkproef met verwerking van vervuilde baggerspecie te komen". In haar brief van 18 juli jl. reageert de Staatssecretaris hierop door haar standpunt weer te geven op basis van een onderzoek dat door een projectgroep van Verkeer en Waterstaat is uitgevoerd. De conclusies en aanbevelingen van dit onderzoek zijn vastgelegd in het "Basisdocument voor besluitvorming Verwerking van baggerspecie". Omdat de projectgroep (Impuls B2 genoemd) intensief overleg heeft gevoerd met marktpartijen, verwerkers en aanbieders van baggerspecie, verwacht zij nu draagvlak voor de wijze waarop zij de motie kan uitvoeren.
Gezien het feit dat de Staatssecretaris uit het onderzoek onjuiste conclusies trekt, essentiële begrippen met elkaar verwart en geen oog heeft voor het maatschappelijk draagvlak van haar ideeën, zal het door haar verwachte draagvlak in de praktijk niet aanwezig blijken te zijn. Bij een kritische beschouwing van de baggerspecieproblematiek en de voorstellen van Staatssecretaris blijkt al snel dat haar voorstellen hooguit een oplossing kunnen bieden aan de huidige situatie, maar verder van weinig visie spreken. Het doel van de motie Herrebrugh, verwerken van baggerspecie om storten hiervan te voorkomen, wordt geheel niet nagestreefd.
In het navolgende zal aangegeven worden waarom de Staatssecretaris niet op veel draagvlak mag rekenen en waarom haar gebrek aan visie verweten mag worden.
Onjuiste conclusies
_ Gesteld wordt dat: "het structureel en volledig tot bruikbare producten laten verwerken van alle verontreinigde baggerspecie niet haalbaar is, omdat dit zou leiden tot stagnatie van de baggerwerkzaamheden als gevolg van capaciteitsgebrek."
Echter door de reeds bestaande baggerdepots te gebruiken als buffer tussen de baggerwerkzaamheden en de verwerking, is het zogenaamde gebrek aan capaciteit opgelost. In het rapport waarop deze conclusie is gebaseerd wordt dit overigens ook
aangegeven. Door de deskundigen van o.a. RWS is capaciteitsgebrek dan ook nooit als probleem gesignaleerd voor verwerking van baggerspecie.
_ "Depotcapaciteit is noodzakelijk omdat niet alle baggerspecie met eenvoudige technieken kan worden behandeld en omdat hierbij een restproduct ontstaat."
Deze conclusie is onjuist omdat ervan wordt uitgegaan dat alleen eenvoudige technieken een oplossing kunnen bieden. Alle species, inclusief restproducten van eenvoudige technieken, kunnen echter wel thermisch verwerkt worden. Bij thermische verwerking ontstaat naar genoeg geen restproduct.
_ "Thermische immobilisatie heeft een goede milieuscore maar heeft op basis van kosten een lager milieurendement dan storten."
Uit het onderzoek is juist naar voren gekomen dat de milieuscore van thermische immobilisatie veel hoger is dan van storten of welke andere techniek dan ook. Het gebruikte begrip milieurendement is een rekenkundige handeling waarmee op basis van kosten een rendement is berekend. Dit rendement is in feite dus een financieel rendement. Indien het de Staatssecretaris daadwerkelijk om het milieu te doen is, zou in dezen juist gekozen moeten worden voor de techniek met de hoogste milieuscore.
_ "Het aanbod aan de meest verontreinigde baggerspecie is klein, derhalve wordt er met thermische technieken weinig depotruimte bespaard."
Ook deze conclusie is onjuist en niet gebaseerd op het eindrapport van projectgroep Impuls B2. In dit eindrapport is juist aangegeven (blz. 45) dat alleen al na toepassing van eenvoudige verwerkingstechnieken een zeer sterk verontreinigde fractie resteert. Deze restfractie bedraagt circa 10 miljoen m_ en is juist bij uitstek geschikt voor thermische immobilisatie. Door toepassing van deze eindverwerking hoeft deze hoeveelheid zwaar verontreinigde specie minder gestort te worden, ruimschoots de hoeveelheid van twee nieuw geplande depots
Begripsverwarring
De baggerspecieproblematiek werd in het verleden gekenmerkt door begripsverwarring. Hierdoor is er nooit op grote schaal tot verwerking overgegaan. Een van de redenen om de projectgroep op te richten was om deze begrippen duidelijk te omschrijven. In overleg met alle marktpartijen zijn deze begrippen nu vastgelegd. Het is dan erg storend dat juist nu door het opzettelijk verwisselen van begrippen, handig gebruik gemaakt wordt van de complexiteit van de problematiek.
De kern van het probleem zit hem enerzijds in het verschil tussen bewerken en verwerken en anderzijds tussen milieuscore en milieurendement.
_ Wat in de brief verwerken genoemd wordt, wordt in de projectgroep gedefinieerd als bewerken te weten: zand scheiden, landfarming. Het verwerken zoals bedoeld in de motie Herrebrugh is koude en thermische immobilisatie. Met deze laatste twee technieken wordt de te storten hoeveelheid specie wel significant verminderd.
_ Gesuggereerd wordt verder dat alle baggerspecie be- of verwerkt kan worden. Dit is echter onjuist. Slechts 30% van het totale aanbod is geschikt voor bewerkings-technieken. Alleen met verwerkingstechnieken kan wel 100% van het totale aanbod worden verwerkt.
_ De Staatssecretaris presenteert het structureel inzetten van eenvoudige bewerkingstechnieken als een doorbraak. Echter, de Tweede Kamer heeft door het aannemen van de motie Augusteijn-Esser/Swilders-Rozendaal (november 1999) bepaald dat het baggerdepot IJmeer niet aangelegd mag worden. Alleen al ter compensatie van het depotvolume IJmeer, is het noodzakelijk om eenvoudige bewerkingstechnieken maximaal in te zetten (conclusie van projectgroep Impuls B2). Het voorstel van de Staatssecretaris is dus geen invulling van de motie Herrebrugh, maar een reactie op de motie Augusteijn-Esser/Swilders-Rozendaal.
_ In de projectgroep is, zoals ook al in het verleden door RWS-RIZA, geconcludeerd, dat thermische immobilisatie de beste techniek is voor de verbetering van het milieu. Als definitie wordt hiervoor door deskundigen het begrip milieuscore gebruikt. Het gebruikte begrip milieurendement is slechts een berekening van de procentuele toename van de kosten voor be- en verwerkingstechnieken. Zoals bekend zijn de kosten voor be- en verwerken altijd hoger dan voor storten. Volgens de redenatie in de brief is dus het be- en verwerken van afvalstoffen altijd slechter voor het milieu dan storten.
Visie
Naast de eerder in deze brief genoemde moties zijn er meerdere moties in de Tweede Kamer aangenomen die alle tot doel hebben het storten van verontreinigde baggerspecie te minimaliseren en de verwerking tot bruikbare grondstoffen te realiseren. (Bijvoorbeeld de motie van Van der Steenhoven: 50% verwerking van niet verspreidbare specie).
De Tweede Kamer wordt met dit beleid sterk gesteund door de diverse milieuorganisaties en andere belangenverenigingen. Het voorbijgaan aan deze maatschappelijke wens, verwerken in plaats van te storten, zoals met de brief van 18 juli wordt gedaan, is teleurstellend.
De Staatssecretaris stelt dat verwerking niet binnen de financiële randvoorwaarde van het kabinet past en dat er daarom geen mogelijkheden zijn voor verwerking van baggerspecie.
Naast het opmerkelijke feit dat het kabinet geen geld over heeft voor het aanpakken van 's lands grootste milieuprobleem (waarvan de overheid zelf "eigenaar" is) moet geconstateerd worden dat er met twee maten wordt gemeten.
Het zou toch niet zo mogen zijn dat argumenten die voor het bedrijfsleven niet gelden (we vinden het duur) wel door de overheid worden gebruikt (gelijkheidsbeginsel).
Hoewel niet als onderwerp behandeld in de projectgroep Impuls B2, moet wel gewezen worden op de toekomstige BOM-heffing. Het snel invoeren van deze heffing op het storten van baggerspecie, zoals dat nu ook geldt voor andere afvalstoffen, zou het be- en verwerken stimuleren.
De minister van VROM stelt ook in zijn brief aan de Tweede kamer op 27 november 1998: "
is slechts die baggerspecie vrijgesteld van afvalstoffenbelasting, waarvan door middel van een verklaring is aangetoond dat deze niet-reinigbaar is tot een nuttig toepasbaar product."
De BOM-heffing zal op die grond dus niet alleen gelden voor verontreinigde baggerspecie, maar ook voor de residuen van eenvoudige bewerkingstechnieken. Dit omdat zowel alle species als de residuen, met immobilisatie technieken tot nuttig toepasbare producten kunnen worden verwerkt.
Tot slot moet nog gewezen worden op de wens van de Staatssecretaris om binnen de beoogde proefperiode (vier jaar) het Bouwstoffenbesluit aan te kunnen passen, zonder het te versoepelen, teneinde de knelpunten voor koude immobilisatie weg te nemen.
Het huidige Bouwstoffenbesluit (Bsb) is na ruim 14 jaar overleg vastgesteld en met enkele jaren vertraging per 1 juli 1999 ingevoerd. Het is dus onjuist te verwachten dat het Bsb nu voor één verwerkingstechniek (koude immobilisatie) aangepast zou kunnen worden. Niet alleen is hiervoor de instemming van een breed scala aan deskundigen en belanghebbenden noodzakelijk, ook zullen nieuwe analyse technieken ontwikkeld en gestandaardiseerd moeten worden. Zo er al overeenstemming op korte termijn zou worden bereikt, dan zou het zeker nog jaren vergen de gewenste wijzigingen in de praktijk te kunnen brengen.
Als het product van koude immobilisatie nu niet aan de normstelling van het Bsb kan voldoen, is iedere aanvulling op het Bsb die het toepassen van dat product wel toestaat per definitie een versoepeling.
Conclusie
De Staatssecretaris bepleit op basis van onjuiste conclusies en oneigenlijke argumenten dat het huidige beleid, het storten van baggerspecie na een minimale bewerking, niet hoeft te worden gewijzigd. Het als tegemoetkoming aan de kamer gesuggereerde nieuwe beleid "het maximaal inzetten op eenvoudige bewerkingstechnieken" is slechts een compensatie om de reeds eerder afgewezen depotcapaciteit op te vangen.
De enige definitieve oplossing van het probleem van verontreinigde baggerspecie, thermische immobilisatie, wordt door haar van de hand gewezen als te duur. Hoewel zij met haar brief anders heeft doen willen voorkomen is er dus nog steeds geen oplossing voor verontreinigde baggerspecie en zal Nederland geconfronteerd blijven worden met de aanleg van nieuwe baggerdepots die maatschappelijk niet meer geaccepteerd zullen worden.
|
|
|