Er dreigt een forse crisis in de zand- en grindwinning in ons land. Provincies verzetten zich tegen de alsmaar oplopende taakstellingen voor te winnen delfstoffen. Het roer zal om moeten en het Kabinet moet daarin een actieve rol nemen, gericht op het afremmen van de zandhonger, het sparen van onze schaarse ruimte, en nieuwe kansen voor natuur en landschap.

Door Jeroen Dijsselbloem en Staf Depla


De Blaauwe Kamer bij Wageningen is een van de mooiste natuurgebieden in Nederland. Een flink deel van het gebied was nog niet zo lang geleden fabrieksterrein. Decennialang werden er stenen gebakken pal op de oever van de Beneden-Rijn. Dat gebeurde met klei die ter plekke of elders langs de grote rivieren werd afgegraven. Bijvoorbeeld in de Plasserwaard, eveneens in Wageningen. In die uitwaarde liggen nu grote kleigaten verscholen in een prachtig rivierbos waar aalscholvers en soms de visarend hun visgrond hebben. De Blaauwe Kamer is, na het sluiten van de fabriek aan de natuur terug gegeven. Daarvoor werd klei afgegraven waardoor bij hoogwater ook weer een nevengeul voor de rivier kan ontstaan. Een prachtig voorbeeld van hoe het winnen van oppervlakte-delfstoffen gepaard kan gaan met het herstel van rivier-natuur.
Inmiddels is echter de honger van onze bouwsector naar zand, grind en klei zo toegenomen dat natuur en landschap geen kans meer krijgen zich te herstellen van de afgravingen. Het gaat om zulke grote oppervlakten en zulke diepe gaten in het Gelderse, Brabantse en Limburgse landschap, dat er voor de natuur ook nauwelijks kansen zijn om terrein terug te winnen.

Jaarlijks worden op dit moment circa 700 hectare afgegraven. Een getal dat de afgelopen jaren, ondanks afspraken tussen het rijk en de provincies, steeds verder oploopt. Staatssecretaris De Vries van Verkeer&Waterstaat heeft daarom opnieuw een verzoek bij de provincies neergelegd om nog meer locaties aan te wijzen waar zand en grind kan worden afgegraven. Terwijl in de onlangs verschenen Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening zuinig ruimtegebruik centraal wordt gesteld, offeren we blijvend elke jaar ruim duizend voetbalvelden aan schaarse ruimte op. Natuurlijk hebben we zand en grind nodig, met name voor de aanleg van infrastructuur. Maar veel alternatieven, zoals besparing, hergebruik en minder kwetsbare locaties, blijven onbenut, met name omdat de prijs van het vers gewonnen zand en grind veel te laag is.

Op dit moment is het draagvlak voor de alsmaar oplopende taakstelling voor zand- en grindwinning in de betrokken provincies en gemeenten tot een absoluut minimum gedaald. Gelderland weigert inmiddels om de gemeente West-Maas en Waal tot medewerking te dwingen. Limburg dreigt het hoofd in de schoot van de grindindustrie te leggen. En Brabant verzet zich met anderen tegen de dreigende verhoging van de taakstelling door staatssecretaris de Vries van Verkeer en Waterstaat. De staatssecretaris komt niet verder dan te dreigen met een aanwijzing, waardoor de provincies wel moeten meewerken. De zaak zit inmiddels muurvast.

Het is de hoogste tijd dat het Kabinet de provincies tegemoet komt, en haar eigen met de mond beleden ambities voor zuinig ruimtegebruik gepaard laat gaan met effectieve beleidsinstrumenten. Het zoveel mogelijk sparen van onze schaarse ruimte en prachtige rivierenlandschap vraagt om het effectief afremmen van de zandhonger en het actief stimuleren door de overheid van alternatieven. De rijksoverheid is ook een van de belangrijkste gebruikers van zand. Bijvoorbeeld voor de grote infrastructuurprojecten. Ook daarom heeft zij een grote verantwoordelijkheid om bijvoorbeeld onderzoek naar alternatieven, zoals hergebruik te stimuleren. Het is dan ook onbegrijpelijk dat VROM het budget voor onderzoek naar de toepassing van secundaire grondstoffen heeft geschrapt.

Een onmisbaar instrument is de Belasting op oppervlakte delfstoffen (BOD), zoals al afgesproken in het Regeerakkoord. Landen als Denemarken, Engeland en Frankrijk zijn ons daarbij in één of andere vorm al voorgegaan. Het Kabinet moet hier nu echt haast mee maken. Deze belasting, in de vorm van een heffing op elke ton gewonnen grind of zand, is een effectief middel om de winningsbehoefte af te remmen en alternatieven in beeld te brengen, zo blijkt uit een recente studie van het Centrum voor Energiebesparing en Schone Technologie (CE).

Met een beperkte heffing van bijvoorbeeld f1,75 per ton zal al 50 hectare per jaar minder worden afgegraven. Bij een heffing van fl. 4,00 per ton wordt elk jaar 100 hectare bespaard en komen ook alternatieven in beeld. De opbrengst van deze belasting kan deels worden aangewend om de betrokken bedrijven te compenseren en deels worden gestoken in een Fonds voor hergebruik van secundaire materialen, zoals verontreinigde baggerspecie, en een onderzoek naar winningslokaties op zee.

Deze milieu-belasting zou onderdeel moeten zijn van een nieuw convenant tussen de rijksoverheid en de provincie. Hierin belooft de rijksoverheid de heffing op zand en grind zo snel mogelijk in te voeren en alternatieven voor winning op land, zoals hergebruik van zand en grind en winning op de Noordzee, nu echt actief te stimuleren. Het rijk zal in navolging van bijvoorbeeld de provincie Utrecht, bij de aanleg van bijvoorbeeld rijkswegen zoveel mogelijk van deze alternatieven toepassen.
Om de winning van delfstoffen op een natuurvriendelijke manier te laten plaatsvinden, zal de rijksoverheid ook financieel moeten bijdragen, bijvoorbeeld uit de investeringsprogramma van de Vijfde Nota. En uiteraard blijven beschermde natuurgebieden in de Ecologische Hoofdstructuur verschoond van delfstoffenwinning.
De provincies zouden op die voorwaarden zich opnieuw kunnen committeren aan een neerwaarts bijgestelde taakstelling voor winning en zich opnieuw inzetten voor het aanwijzen van nieuwe winningslokaties, die voorlopig onvermijdelijk zijn.
Alleen met zo een pakket kan het conflict tussen provincies en staatssecretaris de Vries uit de impasse worden gehaald.


Jeroen Dijsselbloem en Staf Depla zijn beiden lid van de Tweede Kamer voor de PvdA