Deel I

Duurzaam bouwen in de GWW sector: Nieuwe impulsen nodig

prof.dr.ir. Ch.F. Hendriks

Duurzaam bouwen heeft in de bouwwereld tot nu toe nog niet de prioriteit gehad die het verdient. Een eenzijdige kijk op het begrip zou daarbij een rol kunnen spelen, aldus prof. Hendriks. Hij breekt dan ook een lans voor de integratie van de verschillende betekenissen van het begrip duurzaam: een integrale benadering van het begrip is zijns inziens noodzakelijk.

Eind jaren tachtig gaf het toenmalige kabinet de eerste aanzet voor invoering in de bouw van het begrip duurzaamheid in een nieuwe betekenis. Bouwen moest voortaan zodanig gebeuren dat er geen onomkeerbare of onaanvaardbare schade aan het milieu werd aangericht. De bedoeling was de kwaliteit van onze planeet ook voor toekomstige generaties te handhaven.
Deze aanpak werd met veel interesse gevolgd door vele partijen in de bouwkolom en had tot gevolg dat technologische kennis werd ontwikkeld die bijdroeg aan verbetering van het duurzaamheidsgehalte van ontwerp en uitvoering. In de jaren negentig zijn door een creatieve aanpak aansprekende voorbeelden van duurzaam bouwen gerealiseerd, zowel in de woningbouw en de utiliteitsbouw, als in de weg- en waterbouw.
Er waren echter ook tegenvallers, zowel op het gebied van kwaliteit als van kosten. Mede als gevolg hiervan bleef de zuigkracht vanuit de markt uit. Ondanks het feit dat ieder volgend kabinet het tot zijn taak rekende om een nieuwe nota over duurzaam bouwen te produceren, kon dit opdrachtgevers, ontwerpers, toeleverenden, uitvoerder en bouwpartners er niet toe bewegen duurzaam bouwen hoge prioriteit te geven. De publikatie van het nationaal pakket duurzaam bouwen voor de grond, water en wegenbouw-sector in november 1999 had hierin verandering moeten brengen. Het pakket was echter zeer bescheiden (effect op milieuverbetering een factor 1,1 - 1,5) en werd bovendien ten onrechte gezien als afsluiting van het zoeken naar duurzame oplossingen. In feite ging het om een noodzakelijk tussenstadium op een nog lange weg.

Duurzaam of duurzaam?
De meeste omschrijvingen van het begrip duurzaam zijn te beperkt. Het is onjuist te denken dat bij duurzaam de aandacht alleen naar het milieu uit kan gaan. Het begrip duurzaam heeft in relatie tot bouwen twee betekenissen. In het Engels worden die aangeduid met de woorden ‘durable’ en ‘sustainable’. Duurzaam in de zin van durable betekent: de eigenschap van een materiaal of constructie om chemische, fysische en mechanische belasting zodanig te weerstaan dat geen ontoelaatbare achteruitgang optreedt in functionele eigenschappen.
Bij ‘sustainable’ betekent duurzaam: in hoeverre voldoet een materiaal of constructie aan eisen voor de belasting van lucht, water, bodem, voor invloeden op welzijn en gezondheid van levende organismen, voor het gebruik van grondstoffen en energie en landschappelijke of ruimtelijke aspecten, voor het ontstaan van afval en voor het optreden van hinder.
Vaak wordt slechts een van beide betekenissen meegenomen bij beslissingen over duurzaam bouwen of krijgt de ene betekenis prioriteit boven de andere. Dat kan voorkomen worden door bij het ontwikkelen en overdragen van kennis op duurzaamheidsgebied steeds beide aspecten te integreren. Daarvoor zijn inmiddels een tweetal instrumenten ter beschikking, namelijk de degradatiefactor (DF) en de levenscyclusanalyse(LCA).
De degradatiefactor (DF) geeft een beeld van de te verwachten degradatie, uitgaande van de ontwerp-eisen en rekening houdend met (varianten voor) het materiaalgebruik en de vereiste levensduur met inachtneming van scenario’s voor herstel en onderhoud. Dit is ook van belang bij het nemen van beslissingen over hergebruik en recycling als het einde van de gebruiksduur is bereikt.
Een ander instrument is de levenscyclusanalyse (LCA). In de loop van de jaren zijn veel pogingen ondernomen om een inschatting te geven van milieu-effecten van een produkt of constructie. De meeste methoden bleken niet of althans niet altijd controleerbaar zijn. Zowel nationaal (CML) als internationaal (ISO) is een methode ontwikkeld die deze kritiekpunten in veel mindere mate oproept. Het gaat om de LCA, waar in verschillende stappen (vaststellen functionele eenheid, inventarisatie, classificatie, normalisatie, weging en evaluatie) 14 milieu-effecten worden berekend. In de bouwsector is het gebruikelijk deze terug te brengen tot vijf milieumaten (grondstoffen, energie, afval, emissie en hinder) of zelfs via een iets afwijkende methoden tot één getal (eco-indicator). Inmiddels is de LCA gebruikt voor de opzet van LCC (Life Cycle Costing) en LCM (Life Cycle Management). In eerste instantie werd de LCA vooral gebruikt voor het vergelijken van varianten op materiaalniveau. Door de ontwikkeling van programma’s als Eco-Quantum en Green Calc (deze laatste is vooral gebaseerd op het TWIN-model, een variant op (LCA), is het nu ook mogelijk dit op constructieniveau te doen. De toeleverende bouw heeft hiervan gebruik gemaakt bij de opzet van MRPI (MilieuRelevante Produkt Informatie). De wijze waarop dit gebeurt is extern getoetst, maar helaas werd daarbij geen uitspraak gedaan over de kwaliteit van de gebruikte gegevens.

Duurzame stad
De Technische universiteit Delft werkt aan de ontwikkeling van het Ecokosten-Waarde-Ratiomodel (EWR). De berekening van ecokosten wordt gebaseerd op het zodanig ontwerpen en uitvoeren dat voldaan wordt aan duurzaamheidscriteria. Deze kunnen worden gebaseerd op bestaande wettelijke minimumeisen of op eisen die ongewenste en soms onomkeerbare ecologische veranderingen voorkómen. De waarde wordt bepaald aan de hand van kwaliteit, levensduur en imago, en van het belang voor de gebruiker.
Na deze benadering van het begrip duurzaam moet het begrip duurzaam bouwen duidelijk omschreven worden. Bouwen heeft in dit verband een aantal betekenissen;
- de bouwcyclus; ontwerpen-uitvoeren-beheren-onderhouden-renoveren-slopen-hergebruiken; daarbij gaat het nadrukkelijk zowel om nieuwbouw als om de bestaande voorraad;
- het proces, waarlangs een en ander tot stand komt. Een proces dat zeer dynamisch, tijd- en plaatsgebonden is;
- bouwen aan een duurzame samenleving, een relatie met duurzame ontwikkeling derhalve.
Zou men in de meer beperkte betekenis van construeren kunnen spreken over stromen, gebieden en actoren met inbegrip van hun onderlinge wisselwerking, in de bredere betekenis gaat het ook om sociale, maatschappelijke en culturele aspecten. In dit verband zijn lessen te trekken uit de duurzame stad Curitiba in Brazilië. Duurzaamheid is daar even vanzelfsprekend als lucht om in te ademen en heeft als thema’s vervoer, architectuur, stedenbouw, milieu, afval, bestuur, planning, samenleving, sociale rechtvaardigheid en leefbaarheid. Duurzaam bouwen is hier een integraal dynamisch proces, zowel gericht op ‘bouw’ als op ‘samenleving’.

(Deel II van dit artikel verschijnt in het volgende nummer van Land en water)

Prof.dr.ir. Ch.F. Hendriks is programmadirecteur DIOC-DGO De Ecologische Stad, TU-Delft