Samenvatting Claim-Pecos
In 1993 werd in het door VROM en V&W ontwikkeld beleid vastgesteld voor de verwijdering van verontreinigde baggerspecie voor de korte en middellange termijn. Daardoor werd invulling gegeven aan actiepunten uit zowel het Nationale Milieubeleidsplan als de Derde Nota Waterhuishouding. Het verspreidingsbeleid voor baggerspecie kreeg hiermee een belangrijk instrument. Doel van het Beleidsstandpunt verwijdering baggerspecie was om voor deze prioritaire afvalstof een verantwoorde verwijderingsstructuur te doen ontstaan zodat daadwerkelijk de onderhoudsachterstand van de waterbodems in Nederland zou kunnen worden weggewerkt en saneringen zouden kunnen worden uitgevoerd. Vooral het creëren van bestemmingen was noodzakelijk voor de ontwikkeling van deze structuur. Zo werd gesteld dat opslagcapaciteit op termijn aanzienlijk zou moeten toenemen en dat daarnaast tevens doelmatige verwerkingsmethoden moesten worden aangewend waardoor hergebruikt zou worden bevorderd. Om verwerkinginitiatieven te stimuleren werd in het beleidsstandpunt een doelstelling vastgelegd om tegen het jaar 2000 van alle geproduceerde baggerspecie in ieder geval al 20% te (laten) verwerken en om daarna dat aandeel te laten toenemen.
Logisch gevolg van het kaderstellend karakter van het beleidsstandpunt was dat lagere overheden dit beleid invulling begonnen te geven door deze koers over te nemen in eigen beleid. Zo ontstonden bijvoorbeeld in 1994 voor de provincie Zeeland het Beleidsplan Waterbodems & Baggerspecie en voor Noord-Brabant de Nota Baggerspecieverwijdering en in 1995 voor Zuid-Holland de Nota Uitwerking Baggerbeleid II. Een ander logisch gevolg was dat bedrijven, vaak in samenspraak met overheden, gingen zoeken naar geschikte methoden en technieken en gingen investeren in verwerkingscapaciteit. Door het vastgestelde en naar lagere regionen doorgevoerde beleid werd bij het bedrijfsleven de verwachting gewekt dat baggerspecie ter verwerking zou worden aangeboden. Die verwachting werd bevestigd doordat bij de daartoe ingerichte verwerkingsinstallaties daadwerkelijk specie werd aangeboden en doordat regelmatig baggerverwerking in bestekken werd voorgeschreven.
Pecos Nederland B.V. was als pionier al vanaf eind jaren tachtig met mobiele installaties regionaal actief geweest om daarmee die specifieke markt af te tasten. Omdat er medio jaren negentig voldoende vertrouwen was, richtte Pecos met bestuurlijke steun van de Provincie Zuid-Holland in 1995 in de Derde Merwedehaven te Dordrecht een installatie op voor het doelmatiger behandelen van verontreinigde baggerspecie met een jaarcapaciteit van 150.000 mtr3. Na een aanloopperiode van ca. twee jaar werd die capaciteit doorgaans geheel bezet.
De realisatie van grootschalige depotruimte liep echter in de tussentijd door maatschappelijke weerstanden ernstige vertraging op. Plannen voor depots in het Hollands Diep, in de Koegorspolder bij Terneuzen, in de Oostvlietpolder bij Leiden en in de Kaliwaal bij Beneden-Leeuwen stuitten in de mer-procedures op hevig verzet. Zelfs werd in 1999 het plan voor een depot in het IJmeer bij Amsterdam helemaal afgeblazen. De enige substantiële toevoeging aan de capaciteit was de aanleg van het IJsseloog in het Ketelmeer en de Averijhaven bij IJmuiden. Deze stagnatie leidde er echter niet toe dat in toenemende mate naar het alternatief van verwerken werd gegrepen, in tegendeel, de markt die voor de verwerkers moest ontstaan werd bewust niet van de passende instrumenten voorzien, zodat uiteindelijk zich ook daarin een stagnatie moest gaan aftekenen. Men liet in afwachting van grootschalige depotruimte, liever de vervuilde bagger op de waterbodem liggen dan deze te brengen naar verwerkers.
Door nieuwe beleidsontwikkelingen vond er in het jaar 2000 een dramatische trendbreuk plaats in de markt voor de baggerverwerkers. Het aanbod van baggerspecie bij verwerkingsinrichtingen viel in tegenstelling tot de bedoelingen van ervan vrijwel geheel weg. Daarmee was de achilleshiel van de vrij jonge bedrijfstak geraakt en Pecos Nederland B.V. raakte in 2001 in staat van faillissement.
Twee jaar lang heeft Aad van den Ende, voormalig directeur van Pecos, onderzoek gedaan naar de ontstaansgeschiedenis van deze problematiek. Hij stelt vast dat de overheid volkomen is afgeweken van het beleid van 1993 en dat zij door allerlei tussentijdse aanpassingen en wijzigingen een onevenredig nadeel voor het particuliere initiatief van Pecos Nederland B.V. heeft opgeroepen. Het vertrouwensbeginsel alsook het evenredigheidbeginsel, twee belangrijke grondslagen van het recht, werden daarbij door de overheid ernstig geschaad. De schade die door het faillissement is ontstaan moet daarom door de overheid worden vergoed. Het rapport dat Van den Ende naar aanleiding van zijn onderzoek heeft geschreven dient als basis voor een eis tot schadevergoeding.